vrijdag 22 januari 2016

DAPHNE EN MURIËL

Muriël, een Engelse dame van onze Franse tuinclub gaf een voordracht over de planten in haar tuin die deze maand qua geur erg interessant zijn. Ademloos luisterden wij, want ik geloof sterk dat de Engelsen het tuinieren hebben uitgevonden en Muriël in het bijzonder. Ze had enkele kratten bij zich met daarin kleurige takken en geurige bloemen, diezelfde dag vers uit haar januarituin geplukt. Een grote tak mahonia ging rond. 

Ik noteerde de naam en later bij mijn vraag vertelde ze dat alleen de japonica zo sterk geurt. Enkele bloeiende takken viburnum gingen rond. Viburnum, waarvan ik de soort heb met schermachtige bloemen, die nauwelijks geuren. De bloeiende takken van Muriël geurden zo sterk dat volgens mijn man, ‘de buren er niet van kunnen slapen’. Nu maak ik me daar geen zorgen over want het huis naast ons is een bankgebouw. Twee keer moest ik Muriël om de naam vragen, want Latijnse plantennamen in de Franse taal uitgesproken door een Engelse en neergeschreven door een Nederlandse vraagt om moeilijkheden. ‘Viburnum x bodnantense Dawn’ verduidelijkte ze.

Dan was daar Daphne. Bedrieglijk mooi. Onwaarschijnlijk geurend. Muriël hield een mooie tak omhoog tegelijkertijd met twee viburnumtakken. Een waarlijk schone combinatie. Hier wilde ik de Latijnse naam van weten, zodat ik thuis verder kon zoeken, maar Muriël had zoveel composities en planten, waardoor ze veel vragen moest beantwoorden van alle aanwezigen van onze internationale tuinclub.
Het voordeel van de Engelsen is dat zij kunnen tuinieren. Mijn nadeel is dat ik veel namen van planten ken in de Latijnse en mijn moerstaal, zodat het een hele puzzeltocht wordt om de gangbare Franse naam te vinden van een plant. Andersom, staan in Franse gidsen van tuincentra er niet altijd de Latijnse plantennaam bij. Wanneer dan ook nog de Engelsen de planten benoemen in hun eigen taal raak ik het spoor helemaal bijster. 

En nu begon Muriël over Daphne. Een begerenswaardig struikje dat, in combinatie met de door haar genoemde virburnum, een lege hoek geurend en perfect zou kunnen opvullen. Later die avond praatten we nog wat na met een aantal leden van de club, waarvan ik er enkelen niet kende. Muriël stond even bij ons, dus onmiddellijk vroeg ik haar naar Daphne. Snel riep ze me dat ik de ‘odora’ moest kiezen voor de geur en weg was ze weer.

Door de overige gesprekken kwam ik niet verder en was al bang dat ik me weer eerst moest verdiepen in Engelse tuinboeken vooraleer ik achter de Latijnse naam en beschrijving van Daphne kon komen. ‘Ask that lady in that yellow sweater overthere, she knows a lot about gardening’ was het advies van een ander clublid. De dame met de gele trui voegde zich bij ons. ‘Jammer’ zei deze in onvervalst Nederlands, ‘dat de meeste planten van Muriël het niet doen bij mij, Muriël heeft zure grond. Bij haar staan de azalea’s en rododendrons er mooi bij.’

Is Daphne te mooi om waar te zijn? Niet voor niets misèreboompje of peperboompje genoemd. De Virburnum echter zal er zich hopelijk wel thuis voelen. ‘Wij kennen elkaar nog niet?’ vroeg de Nederlandse. Ik noemde mijn naam. ‘Aangenaam’ zei ze. ‘Ik ben Daphne’. 

donderdag 15 oktober 2015

VERGETEN HERFST


Even gewinkeld in drie landen. Veel etalages bekeken met een vrijwel gelijk assortiment aan schoenen, kleding en muziek. Alle etalages zijn versierd. In een enkele ligt al kunstsneeuw. De bling-bling voor de donkere maand december is er weer in overvloed. Sinterklaas en de kerstman vloeien langzaam ineen. In de tuincentra is er een overdaad aan accessoires waarmee we onze huizen straks moeten versieren maar waarvoor we vooral diep in de buidel moeten tasten.

Er zullen toch wel etalages zijn getooid met herfst?
Waar vind ik een herfstetalage met paddestoelen, pompoenen, met zaaddozen en kastanjes? In welke winkel vinden we de mooiste kleuren van dit jaargetijde terug?

In het park pluk ik wat bladeren met zaadbollen van een van de oude platanen die daar staan.Thuis gekomen bind ik ze vast met lint en hang ze in de keuken naast de streng met paars/rode knoflook en de bosjes lavendel die daar te drogen hangen. Een plaatje om te zien. De lindeboom is al klaar voor de winter. De rode beuk neemt met moeite afscheid van zijn mooie bladeren. De vaak felle kleuren van het gevallen blad zijn prachtig. Ertussendoor groeien overal kleine crèmekleurige paddenstoeltjes, die oplichten in de lage zon.

Ik zag er eentje. Eén schier onooglijk boekenwinkeltje met herfst in de etalage. De etalage - slechts een meter diep en ongeveer drie meter breed - begint op de grond, die helemaal vol ligt met kleurig herfstblad. Aan de zijkant leunt een trellisscherm met daarin dezelfde plataanbollen als in mijn keuken, maar dan afgewisseld met de mooiste rozenbottels die ik ooit zag.

Aan de achterkant staat een spiegel waaraan takken van de Malus hangen. De rode appeltjes van Red Sentinel en de kleine gele sierappeltjes van de Evereste. Tussen de bladeren op de grond liggen walnoten, kastanjes en hazelnoten. In het midden een kleine tenen hengselmand die uitpuilt van vreemdsoortige pompoenen in geel, groen en zelfs een peervormige blauwe. Naast het mandje in die etalage van dat kleine boekwinkeltje staat een boek over de geheimen van het bos. 

Nog lang geen behoefte aan de kerstman of sinterklaas. Kabouters en trolletjes in mistflarden en gierende wind, etende van mijn blauwe pompoen, de Curcubita ‘Yukigesho’ of zittend in de herfstzon op een paddestoel, rood met witte stippen... Bijna vergeten maar dat is herfst. 


maandag 7 september 2015

EEN DIERENRIJK AAN PLANTEN

Mijn handen jeuken om dat stukje grond waar nu het onkruid welig tiert op de schop te nemen.

Een dierenrijk aan planten 

Aan de achterkant links plant ik een Beverboom voor de schaduw. Langs de afrastering komen Vlinderstruiken, zodat de hoogte is bepaald. Daar tussenin maak ik met wat stenen een rotsachtige formatie, en plant er Ooievaarsbek, Leeuwenbek en enkele Bijenkorfjes, omdat die mooie zoden vormen. Ook de kleine tere Ossentong zal het daar goed doen. De achterkant is dan compleet.

De eeuwenoude Hondsroos mag aan de linkerkant best een beetje woekeren, omdat de aangeschafte Kattensnorren de boel in evenwicht houden. De zelfgezaaide Kattenstaarten passen daar qua kleur perfect bij. De Wolfskers is sterk af te raden, evenals de Wolfspoot, tenzij ik die nodig heb voor de zwarte verfstof. Neen, dan kies ik de eveneens giftige maar mooie Wolfsmelk voor het gele accent. De border aan die zijde wordt afgebiesd met Ezelsoren. En in het midden komt een nageAapt Vogelverblijf, waar ook de Eekhoorntjes kunnen eten.


 (NageAapt vogelverblijf waar ook de eekhoorntjes kunnen eten)


Aan de andere kant plant ik een enkele hoge Slangenkop. Daar moet ik dan wel iedere zomer stekjes van nemen om te laten overwinteren. Verwar deze niet met Slangenkruid, want die geeft maagproblemen. Een eveneens hoge en mannelijke Geitenbaard zorgt aan die zijde voor het oplichtende geel. Zeker omdat ik daar ook Schildpadbloemen wil aanplanten met heel donkergroen blad. Deze plant geeft prachtige purperen bloemen in het najaar. Deze border omzoom ik met Kattenkruid. 
Natuurlijk komt er in mijn dierenrijk water. Smal, maar helemaal van links naar rechts, zodat mijn dierlijk plantenrijk omsloten is. Daar zet ik Paddenlelies tegenaan met, meer naar rechts, klein Hoefblad en laat dat eindigen met een gouden Vossenstaart. Om de vijver helder te houden zet ik er niet alleen Kikkerbeet in maar ook Krabbenscheer. Bovendien plaats ik korfjes met mooi blauw bloeiend Snoekkruid ongeveer tien centimeter onder het wateroppervlak. Mijn greppel zoom ik aan de voorzijde af met Hertshooi die prachtig geel zal bloeien op de langste dag.
In mijn dierenrijk is geen ruimte voor de Paardenkastanje. Van de Paardenstaart ben ik zelfs bang, maar een enkele Paardenbloem is meer dan welkom. Mijn dierenrijk is wel compleet zo dacht ik. Om niet steeds te hoeven slootjespringen komt daaroverheen nog de finishing touch van mijn plantaardige dierentuin:   een Ezelsbruggetje.




woensdag 15 juli 2015

BIJZONDERE ONTMOETING

Ons hondje hield me gezelschap en sliep tot hij iets hoorde in de open haard die met een ijzeren valscherm is afgesloten. Er viel wel vaker wat gruis door de schoorsteen naar beneden, maar nu was Kaneeltje toch wel erg alert. Rustig zette ik het haardscherm opzij en langzaam schoof ik het valscherm in drie delen omhoog.

Daar, op de grond in een hoekje zat een vogel bang te wezen. Ik liet het diertje met rust en zocht iets waarmee ik het beestje kon opjagen zonder het teveel schrik aan te jagen. Ik pakte een handdoek die ik in 4en tot een smalle reep vouwde. Daarmee duwde ik de vogel uit de open haard de kamer in, zonder dat ik hem raakte. Toen hij eenmaal aan het fladderen was in de salon, sloot ik de deur naar het bureau en liet ons hondje naar de keuken gaan. 

Ondertussen opende ik de grote ramen in de salon en schoof de gordijnen over de bank heen zodat de vogel bijna alleen maar die kant op kon. De vogel was niet bang. Het was een kauw en vanaf de leuning van de bank keek hij me aan. De wind zorgde voor frisse lucht in de salon en dat vond het dier erg prettig. Ik praatte voortdurend tegen hem en het leek of hij luisterde naar mijn stem. Ik stak mijn hand naar hem uit. Verder en verder, tot ik hem aaide over zijn buikje. Hij bleef gewoon zitten en bleef me gewoon aankijken tot hij het genoeg vond. 

Hij vloog op naar het raam en ging buiten op de balkonrand zitten kijken waar hij was. Hij kraaide een keer en kreeg daarop onmiddellijk antwoord. Daarna vloog hij in een cirkel weg en halverwege kwam zijn partner hem tegemoet. Het was een kauwtje, een zwarte. Ik was blij, want ik had een een-op-een ontmoeting gehad met een levend wezentje waarvan wij niet veel weten. Hij had een warm buikje, dat had ik gevoeld. Was hij oud? Jong? Mannetje of vrouwtje? Geen idee. En toch had hij naar mijn stem geluisterd en was hij kalm geweest. 
Hij vond de ontmoeting vast ook bijzonder, in ieder geval stoer, want hij was in het geheel niet bang geweest. Zou hij dat bij zijn volkje gaan vertellen?



donderdag 20 november 2014

KLEURRIJKE HERFST


De meeste kleuren in de natuur zijn er in de herfst. Tegen de achtergrond van wolken bloeiende asters van bleekroze tot bijna rood, liggen overal in alle andere kleuren de pompoenen en kalebassen te rijpen. De vreemdste soorten en de raarste kleurencombinaties. Zwart met een oranje vlam bijvoorbeeld. De velden vrijwel kaal, zodat het lijkt alsof de kalebassen door iemand zijn neergelegd.

In diverse dorpen worden inmiddels de feesten voorbereid. Fête des citrouilles. Vooral met veel eten.
Soep van kalebassen en pompoenen. Dipsauzen voor toast, al dan niet met veel knoflook en olie. Gebakken, gebraden, gestoofd en gesmoord. Behalve de schil wordt alles opgegeten. 

Er worden er ook veel verkocht en hoe vreemder van vorm hoe duurder de kalebas is. Raar, want het zaad van een vreemde vorm kan volgend jaar een heel andere vorm geven. Ze houden van veel mest en veel water. Koeien- , schapen-, kippen- of paardenmest. Dit kost de meeste boeren ook niks. Het transport wel. Er zijn zware kalebassen. Er worden zelfs wedstrijden gehouden wie de grootste of zwaarste pompoen op zijn land heeft liggen. Deze worden met een tractor voorzichtig vervoerd en omzichtig gewogen. Honderden kilo’s vaak. Niemand koopt deze zware dingen. Ik weet ook niet of ze nog smakelijk zijn. Trouwens al die vreemde vormen durf ik ook niet te eten, als stadsmens. Pompoensoep vind ik zelfs al vreemd, tenzij ik die zelf maak.

Er is feest op pleinen en in de straten. Overal staan karren, volgeladen met deze najaarsvruchten waarin ze grappig werden neergelegd in vormen van eenden, slakken, bloemen of werden ze als versiering van straten kunstig verwerkt in lantaarns, balkonbakken en andere straatornamenten. 

Het is een heerlijke tijd, met lange schaduwen, met hele lange schaduwen, waarbij enge verhalen horen. Een prachtig jaargetijde waarvan we op een geheel eigen wijze genieten.

donderdag 12 juni 2014

HOOG BEZOEK


Met voldoende schrijfmateriaal bij de hand wachtte ik op het bezoek van die middag. Monsieur Clochard (what’s in a name) belde om klokslag twee uur aan. Na een korte begroeting liep hij direct door naar onze tuin, om de beuk te zien die ik door hem wilde laten snoeien. Hij wierp een afkeurende blik op het sierappeltje Malus perpetur ‘Evereste’, dat daar nog maar enkele maanden staat. Inderdaad is die schaduwplek verkeerd, maar de appeltjes wil ik gebruiken voor droogboeketten. 
Monsieur Clochard hoorde noch verstond mijn gemompel. Hij liep door naar de specerijstruik, die ik blijkbaar niet of niet goed had gesnoeid. ‘Très rare’, vond monsieur Clochard, waarmee hij bedoelde dat deze uit Californië afkomstige Calycanthus in deze contreien niet helemaal winterhard is. 

Clochard, tuinier pur sang, onderhoudt met zijn team alle parken en grote tuinen in ons stadje en ver daarbuiten. Hij kent onze tuin dan ook al tientallen jaren. Ik hobbelde achter hem aan en maakte zoveel aantekeningen als ik kon van wat hij vertelde. Met een verliefd gebaar streek hij over de stam van onze beuk. ‘Die zware beukentak tak mag er niet af, Madame, c’est interdit en is als het amputeren van een arm’, zei hij, terwijl hij met zijn hand in kapbeweging naar zijn schouder gebaarde. ‘Madame’, zei hij, ‘kijk eens naar uw boom, zo zijn er niet veel. In deze hele omgeving is dit de enige rode beuk en ook daarom beschermd. Wie doet hij kwaad? Laat staan en geniet ervan. Teveel schaduw? Verplaats uw bloementuin! Snoeit u liever de Diospyros, c’est désastreux’. Ik noteerde: boom naast hazelaar is Diospyros; kakivruchten, en snelde de man achterna die alweer verder liep naar de geurige laurierstruiken. Hij gaf zowaar een compliment voor het snoeiwerk dat mijn man en ik hadden verricht, waarbij hij keek alsof wij dit met een botte bijl hadden gedaan. 

Van alle kanten bekeek hij de steriele beuk. Uit zijn intonatie, mimiek en vele handgebaren kon ik opmaken dat het een goed was, het ander niet. ‘De mimosa kan rustig in de schaduw van de beuk blijven staan, omdat die bloeit wanneer de beuk nog geen bladeren heeft’. De grote palmboom echter wilde hij wel graag verplaatsen. ‘Domage, over een jaar raakt hij die zware beukentak’. Nou ja. ‘Monsieur vous êtes un scheetje’, mompelde ik met een harde g. ‘Comment?’, vroeg hij. ‘C’est drôle, monsieur’ vertaalde ik naast de waarheid, ‘grappig, dat u deze tuin beter kent dan ikzelf’.

De combinatie van witte Vinca’s met de eveneens witte Symphoricarpus vond hij erg mooi. Iets wat al aanwezig was voor wij deze tuin met huis kochten. ‘Votre chien?’, vroeg hij wijzend op het storende paadje daartussen. Oei, foutje. Monsieur Clochard is een innemende man, maar onderhandelt erg gierig als het over snoeien gaat. Hij houdt teveel van bomen om ze te amputeren, zeker bij een particulier die meer zon op haar terras wil hebben. ‘Plus tard, madame, plus tard’, gaf hij uiteindelijk toe. ‘Alleen hier en daar wat takjes en pas in januari’. In december mag ik de afspraak definitief maken. 

Na anderhalf uur nam hij vriendelijk en zeer beleefd afscheid, mij achterlatend met pagina’s vol soms onbegrijpelijke notities die ik snel zou moeten uitwerken. Ik was vermoeid als na een intensief college, maar als ik een border mocht aanleggen met daarin louter mensen, dan kwam Clochard daarin op een prominente plaats.







maandag 19 mei 2014

BANG VOOR BLOEMEN

Een van de meest mooie bloemen vind ik de keizerskroon, Fritilaria imperialis. Familie van de kievitsbloem, maar vele malen groter. Als kind zag ik de keizerskroon voor het eerst en de naam die daarbij viel was ‘mollenvanger’. Op slag werd ik een beetje bang voor ze. Zeker omdat ze in groten getale voorkwamen in een parkje behorend bij de Mariakapel bij mij thuis in de buurt. Eind april waren de bloemen op z’n mooist, maar eind april mochten we daar als kind niet alleen komen, iets wat we heimelijk toch deden.
Het mooie parkje had een nauwe entree tussen rode berberis. De kortgeschoren takken waren scherp wisten we uit ervaring want het lukte ons, groepje kinderen, nooit om zonder schrammen het parkje in te komen, waar het alleen in de meimaand erg druk was. Een mevrouw joeg ons dan ook al snel weg wanneer sommigen werden betrapt bij het plukken van  bloemen. Zij vertelde ons dat de keizerskronen daar stonden om mollen te vangen en dat ze met hun tentakels ook kinderen konden pakken. 
Nu, vijftig jaar later bewonder ik de statige bloemen in eigen tuin en denk ik terug aan dat stukje jeugd. Op mijn terras struikel ik over rondslingerende kinderen, waarvan de ouders in de zon liggen te luieren. Een drie jarige turf geeft tegen een tuinbeeld een perfecte imitatie van Manneken Pis, waarna de hond daar nog een spoor overheen zet. Een kleuter loopt trouw achter me aan met een volle gieter; samen hebben we wat plantjes gezet en hij mag ze water geven. Hij vertrapt hier en daar wat plantjes en mikt met de gieter naar de nieuwe aanplant. Zijn schoentjes krijgen nog het meeste water en het blijkt dat modder erg leuk speelgoed is. Iedere dag is hier een nieuw avontuur te beleven. De moeders en ik krijgen iedere dag verse boterbloemen voor in onze knoopsgaten. De geurende choisya blijkt een prachtige verstopplek. Een van de kleintjes plukte de witte bloemen van de ornithogalum of vogelmelk en gaf me die, waarna ik hem vermaande en zijn handjes waste. Voor het klaarmaken van de maaltijden plukte ik verse bieslook of salvia terwijl de kinderen door hun moeders werden geboend, zodat ze dit niet zouden kopiëren.

Misschien was het nog niet zo slecht van die mevrouw uit mijn jeugd om kinderen wat bang te maken voor planten en bloemen. Even speelde het door mijn hoofd om de kinderen een verhaaltje te vertellen voor het slapen gaan. Over mollenvangers die met hun tentakels ook kinderhandjes zouden vastgrijpen.. Gelukkig waren de kleintjes iedere avond veel te moe en sliepen ze binnen enkele minuten. Eén enkele nacht droomde ik zelf, over rijen gele en oranje keizerskronen even groot als ik. Ik rende en vluchtte erlangs, samen met tientallen mollen. Hier en daar hadden ze er al eentje te pakken, want ik hoorde duidelijk gehuil. Gelukkig werd ik net op tijd wakker en toen merkte ik dat het huilen kwam van het Brussels manneke dat even naar de wc moest.